';
“Ik ben slechts een toevallige passant”

Aftredend COC-voorzitter Van Dalen:

COC-voorman Frank van Dalen ontwikkelde zich de afgelopen drie jaar tot hét gezicht van de homobeweging in Nederland. Maar daar komt nu een eind aan: in de loop van dit jaar treedt hij terug als voorzitter. “We hoeven eindelijk niet meer te leuren met onze boodschap.” 

“Je moet op je hoogtepunt stoppen.” Frank van Dalen klinkt stellig, een paar dagen voor de bekendmaking van zijn besluit. De voorman van de Nederlandse homobeweging heeft eigenlijk geen tijd voor het interview: zijn agenda staat vandaag vol met afspraken. En ondertussen bellen de media hem om te vragen naar zijn standpunt inzake de Iraanse homo die voor de Raad van State het hoger beroep over zijn asielstatus heeft verloren.

Het was zo’n vier jaar geleden dat de homoactivist in de Arc stond. Op dat moment was de toen 35-jarige Van Dalen al vele jaren actief binnen de VVD. Hij loodste de partij als campagneleider door de Amsterdamse gemeenteraadsverkiezingen heen, bekleedde meerdere bestuursfuncties en nam zitting in de stadsdeelraad. Iemand polste hem die avond in de Arc: of hij oren had naar het voorzitterschap van het COC. Van Dalen vroeg wat bedenktijd, maar nam de volgende dag al zijn besluit: “Waarom ook niet?”

Zijn streven was om de derde emancipatiefase van de Nederlandse homobeweging vorm te geven. “De eerste fase was het bestrijden van de wettelijke discriminatie, de tweede fase was het bewerkstelligen van gelijke rechten”, legt Van Dalen uit. “Dat kostte allebei zo’n dertig jaar. Ik wilde een actieve voorzet geven voor de derde stap: de maatschappelijke acceptatie van homoseksualiteit. Want al hebben we inmiddels al enkele jaren dezelfde wettelijke rechten als hetero’s, dat is bij lange na niet hetzelfde als het hebben van een breed draagvlak binnen de samenleving.”

In zijn nieuwjaarstoespraak in 2006 luidde Van Dalen deze derde fase in. Homo’s en lesbiennes, zo stelde de nieuwe voorzitter, werden in Nederland nog steeds regelmatig geconfronteerd met uitingen van vijandigheid: op de werkvloer, op school, tijdens het sporten, in bejaardentehuizen. Homo’s waren een getolereerde minderheid, die zich maar niet al te nadrukkelijk zou moeten manifesteren. Dat idee wilde de voorman zeer actief een halt toeroepen. “Nederland moet ook voor homo’s leuker worden om in te wonen, werken en leven”, was zijn ambitieuze streven.

Ruim drie jaar na zijn aantreden neemt de maatschappij zelf verantwoordelijkheid om actief homobeleid vorm te geven stelt de COC-voorzitter tevreden vast. Op 5 maart 2008 ondertekende minister Ronald Plasterk in aanwezigheid van prinses Máxima een convenant over homobeleid in de vier grote steden. In april volgen nog ruim twintig gemeenten. Bovendien zegde Plasterk uit eigen initiatief toe met een aparte boot mee te willen varen in de Gaypride: het is voor het eerst in de geschiedenis dat een bewindsman zich committeert aan het Amsterdamse homo-evenement. Eerder al presenteerde Plasterk namens het vierde kabinet Balkenende zijn ambitieuze, in samenspraak met het COC en de brede homobeweging geschreven homo-emancipatienota, die op brede steun van de Tweede Kamer kon rekenen.

“We wilden dat het kabinet leiderschap zou nemen in de homo-emancipatiestrijd”, stelt Van Dalen. “En dat hebben ze gedaan. Plasterk is een bijzonder activistische minister.” Het is sowieso voor het eerst in de parlementaire geschiedenis dat homo-emancipatie in het regeerakkoord staat en onder een minister valt, en niet onder een staatssecretaris. “Maar ook internationaal springt het kabinet voor ons in de bres”, beklemtoont Van Dalen. “Minister van Buitenlandse Zaken Maxime Verhagen laat zich er in het buitenland echt op voorstaan dat Nederland trots is op zijn progressieve homobeleid.”

Homofobie in de ouderenzorg, bij de politie, in het leger en op het sportveld worden veel actiever bestreden dan voorheen. Staatssecretaris Cees van der Knaap van Defensie liep mee met homoseksuele militairen op Roze Zaterdag en de John Blankenstein Foundation presenteert binnenkort een boekje waarin homoseksuele sporters uit de kast komen. Ouderenbonden, onderwijsbonden en de Jeugdraad ontwikkelen in opdracht van de minister plannen om homoseksualiteit beter en positiever onder de aandacht te brengen.

Van Dalen werd een veel- en graag geziene gast op radio en televisie, waar hij te pas en te onpas het belang van de homo-emancipatie verkondigde. “Onbekend maakt onbemind”, was zijn onvermoeibare motto. “Dus kom maar op met die discussie.” Jonge homo’s kregen een gezicht met de 16-min-boot die, na maanden van maatschappelijk debat, meevoer tijdens de Gay Pride 2007. Ook transgenders kwamen op de politieke agenda en kregen steun van Van Dalen zoals tijdens Transgender Rememberance Day.. Homoseksuelen met een verstandelijke of lichamelijke beperking konden op de volledige aandacht van het COC rekenen tijdens hun speciale ontmoetingsdagen.

“Wat ik me drie jaar geleden ten doel stelde, is bereikt: leiderschap van de regering, sociale acceptatie als uitgangspunt van beleid en homoseksualiteit als iets dat de hele maatschappij aangaat.”, constateert Van Dalen niet ontevreden. “Homobeleid krijgt nu vorm in de haarvaten van de samenleving. Dat was nodig, want dáár moet een beleid in de praktijk functioneren, niet op papier.” Homoseksualiteit is bespreekbaar geworden, óók bij groepen bij wie het onderwerp eerder taboe was. “Binnen etnische en orthodoxe kringen wordt het nu in elk geval besproken.” Het COC voert gesprekken met de EO voor een optreden op de Jongerendag en eerder was ik te gast op een bijeenkomst van SGP-jongeren.

Ook kreeg Van Dalen met zijn beleid het Openbaar Ministerie mee in het actiever bestrijden van geweld tegen homo’s. Het OM onderzoekt op dit moment hoe geweldsdelicten met een discriminerend karakter zwaarder en beter kunnen worden bestraft. De politie en de reclassering volgen. “We hoeven eindelijk niet meer te leuren met onze boodschap: de maatschappij pikt het ondertussen zelf op”, merkt de COC-voorzitter steeds vaker. “In de hele samenleving worden op dit gebied initiatieven ontplooid.”

De rol van de homobeweging zal ook veranderen, voorspelt hij. “Het wordt nu meer een kwestie van bijsturen of partijen bijstaan die om hulp vragen. Lokale afdelingen zullen meer te doen krijgen, want dáár moet het nu gebeuren.” Van Dalen vertrouwt er op dat de trein niet meer te stoppen is. “In orthodox-christelijke en etnische kringen hoor je soms wel tegengeluid. Maar al die pogingen om de ontwikkeling een halt toe te roepen stranden. Het draagvlak om acceptatie te bevorderen is inmiddels gewoon te groot, óók binnen die groepen.”

Het was overigens lang niet altijd even gemakkelijk om alle neuzen dezelfde kant op te krijgen. “Toen het vorige kabinet Balkenende viel, hebben we heel hard moeten schakelen om de trein niet te missen”, bekent hij. “We moesten veel sneller dan verwacht in gesprek met campagneleiders, met ambtenaren, met spindoctors en toekomstige bewindslieden. De verkiezingsprogramma’s en regeerakkoord komen er namelijk toch wel, óók zonder jou. Het is een ratrace: als je op zo’n moment niet adequaat actie onderneemt, sta je vier jaar langs de kant van de weg te pruilen.”

Ook binnen de homobeweging zelf kostte het veel energie om iedereen op één lijn te krijgen. “Toen ik aantrad in 2005, verkeerde het COC in zwaar weer. Enerzijds kampte de organisatie met allemaal interne twisten, anderzijds vroeg de buitenwereld zich af wat eigenlijk nog de noodzaak van de club was. Die leek een beetje weggevallen nu homo’s alle rechten hadden verworven waar ze jaren over hadden gezeurd.” Vooral die interne strijd dreigde de ambitieuze agenda van Van Dalen te blokkeren. “Ik heb toen besloten te doen wat ik moest doen, en ik zag wel wie er aan zou haken. Ik kon niet wachten tot iedereen zijn onderlinge discussies eindelijk eens had afgerond.”

Sinds zijn aantreden heeft Van Dalen eigenlijk geen moment rust meer gehad. “Als voorman moet je altijd bereikbaar zijn”, durft hij eindelijk te verzuchten. “In de winter draait de politiek op volle toeren en in de zomer moet je lobbyen en zijn er tal van evenementen waar je je als COC moet profileren.”

Ook al was hij onbezoldigd vrijwilliger, werkweken van 60, 70 uur waren eerder regel dan uitzondering. “En had ik eindelijk een weekje sneeuw ingepland, toen brak de discussie over de weigerambtenaren los. Ik zie me nog staan met die telefoon in m’n ijskoude handen, boven aan de skipiste. Maar ja, het was de eerste keer dat de homobeweging serieus aan het woord kwam in het Reformatorisch Dagblad. Zo’n kans kan en mag je niet laten schieten.”

De aftredend voorman voorspelt overigens dat het nog dertig jaar duurt voordat ook de derde fase is voltooid. “De aanzet is gegeven, nu is het een kwestie van uitbouwen, verankeren en verzilveren.” Want ook Van Dalen erkent dat de strijd nog lang niet gestreden is. “Minderheden zullen zich altijd moeten verantwoorden. Maar we hebben een nieuwe uitgangspositie verworven: nu is het een kwestie van meters maken.” Die meters kunnen ook wel zonder hem gemaakt worden, daar is hij van overtuigd. “De beweging is niet gekoppeld aan één persoon: vóór mij heeft de organisatie ook zijn mijlpalen wel bereikt. Ik ben niet meer dan een toevallige passant in de rijke geschiedenis van het COC.”