';
Opiniestuk Parool: samenhangend homobeleid

Diep gewortelde opvattingen en emoties over de eigen mannelijkheid en seksualiteit zijn de hoofdoorzaak van antihomogeweld. Dit was één van de conclusies uit het onderzoek ‘Als ze maar van me afblijven’ uitgevoerd door de Universiteit van Amsterdam. Het was voor de VVD reden om met een ronkende homonota te komen. Homo’s zijn hot bij politici. D66 wil de Gay Games terug naar Amsterdam, de PvdA begint een intern debat over haar antwoorden. De gemeente- en stadsdeelraad besloten extra geld uit te trekken voor het homomuseum. Politici met Cohen voorop voeren mee tijdens de Amsterdam Gay Pride. Stuk voor stuk uitstekende zaken. De homobeweging vroeg er zelf om en werd gehoord.

Hoewel exacte cijfers ontbreken schatten deskundigen het aantal antihomo-incidenten oplopend tot zo’n vijfduizend per jaar. Voor een stad die zich laat voorstaan op haar tolerantie een onacceptabel hoog aantal. Daar lijkt iedereen het wel over eens te zijn. Maar een samenhangend beleid lijkt vooralsnog te ontbreken, zo maakte de reacties op het rapport ‘als ze maar van me afblijven’ pijnlijk duidelijk. En juist dat samenhangend beleid is nodig wil Amsterdam duurzaam homobeleid vormgeven waar resultaten worden geboekt.

Precies drie jaar geleden lanceerde COC Nederland de nieuwe visie op de homo-emancipatie. Na de tweede fase waarin ingezet werd op gelijke rechten, met als hoogtepunt in 2001 toen de eerste huwelijken tussen paren van gelijk geslacht in Amsterdam werden gesloten, was het tijd voor de derde fase. Een fase waarin ingezet wordt op sociale acceptatie, de mentaliteit van de samenleving. Het werd in 2007 kabinetsbeleid in het regeerakkoord en talloze organisaties gingen in opdracht van de regering of onder druk van de homobeweging aan de slag. Drie belangrijke strategieën worden daarbij geactiveerd. De inzet van frontliners moeten rolmodellen opleveren en ambassadeur creëren die paden die nog niet eerder begaanbaar leken, begaanbaar maken. De homoseksuele topsporters zoals in het najaar van 2008 gepresenteerd dor de John Blankesteijn Foundation in het boek Gelijk Spel zijn daar een goed voorbeeld van. De tweede strategie is die van de Gay Straight Allianties. Moderne homofobie kan alleen worden bestreden als de heteronormatief ingestelde maatschappij zich achter haarhomo’s en lesbo’s schaart en gezamenlijk optrekken om homofoob gedrag uit de maatschappij te bannen. Dan kan in het klaslokaal tussen homoseksuele en heteroseksuele leerlingen die gezamenlijk uitspreken geen homofoob gedrag te tolereren en daar op gepast op de reageren. Maar ook organisaties kunnen zich de allianties eigen maken. Tot slot is daar nog de roze olifant. Dit instrument waar vooral COC zich in gespecialiseerd heeft, staat symbool voor een proces om onwelwillendheid ten opzichte van homoseksualiteit om te buigen in welwillendheid. Dat kan door voorlichting maar ook zachte of minder zachte drang middels protest behoort tot de mogelijkheden.

Hoewel ook in Amsterdam deze missie en bijbehorende strategieën leidend moeten zijn voor een samenhangend homobeleid is meer nodig. Tijdens de Amsterdam Gay Pride 2008 vaarde voor het eerst het kabinet onder aanvoering van minister Plasterk en burgemeester Cohen mee. De boodschap was helder en krachtig. Betrokken politici zien homoseksualiteit als onlosmakelijk onderdeel van de maatschappij, en dat kunt u maar beter ook doen. Het was de interpretatie die gaypride-organisator ProGay er aan gaf en waarmee feitelijk de in 2006 door het COC geformuleerde missie werd aangescherpt. Toch dringt de vraag zich op of ook dit voldoende zal zijn, kijken naar het rapport ‘als ze maar van me afblijven’. Waarschijnlijk niet en daarmee is het uitblijven van een samenhangend antwoord die het probleem bij de bron aanpakt, in zichzelf een probleem geworden. In 2007 verscheen het rapport ‘gewoon doen’ van het sociaal cultureel planbureau. Duidelijk werd dat de boodschap van de maatschappij aan homo’s en lesbo’s is, dat ze gewoon moeten doen. En daar wordt niet bedoeld het achterwege laten van de extravaganza. Dat is een andere wereld en wordt dus niet al bedreigend ervaren. Nee, het gaat dan om alledaagse zaken die hetero’s de hele dag doen, maar waarvan tegen homo’s en lesbo’s wordt gezegd, ‘laat dat’. Dus geen afscheidskus op het perron en niet hand in hand op straat. Het verklaart de afwijkende reacties rond een Gay Pride of een Pink Christmas. Vragen waarom dit nou toch allemaal moet, of het niet minder kan of opmerkingen dat er toch ook geen hetero-parades zijn maken duidelijk hoe diep de afwijzing van zichtbare homoseksualiteit in onze maatschappij aanwezig is. Het onderzoek ‘als ze maar van me afblijven’ heeft aangetoond dat om sociale acceptatie te bevorderen, het niet volstaat homoseksualiteit als onlosmakelijk onderdeel van de maatschappij te zien. De angsten die voeding geven aan antihomo-gedrag zitten succes in de weg. Het vraagt om herijking van de door de homobeweging geformuleerde missie. Ja, het gaat om sociale acceptatie. Ja de strategieën blijven geldig. Homoseksualiteit is een onlosmakelijk onderdeel van de samenleving. Maar om succesvol te bouwen aan een land waar iedere homo, lesbo, bi of transgender vrij van angsten of belemmeringen kan leven, is een laatste extra stap nodig. We zullen moeten laten zien dat homoseksualiteit een verrijking is van de maatschappij, zelfs een verrijking is van het leven van diegenen die vorm geven aan antihomo-gedrag. Dat is de waarachtige uitdaging die voor ons ligt en waar antwoorden op moeten worden gevonden. In 1998 werd Amsterdam tijdens de Gay Games boven zichzelf uitgetild. De sfeer was weergaloos, criminaliteit nam af. Ondernemers, hetero en homo in alle geledingen van de dienstenindustrie van Amsterdam profiteerden. Dat de minderheid voor één keer de meerheid vormde is een te simpel antwoord op die enorme sfeerverandering die plaats vond. Interessant is het om na te gaan welke mechanismen daar wel verantwoordelijk waren en op welke wijze deze mechanismen op structurele wijze in de stad te activeren zijn. In Japan bezocht een bedrijf een beurs gericht op de homoseksuele doelgroep om nieuwe medewerkers te werven. Na de zoveelste vrouw die langs kwam, werd de vraag gesteld of al deze vrouwen lesbisch waren. Het antwoord was nee. Maar, zoals één van de vrouwen stelde, als een bedrijf zo openlijk zich durfde te richten op de homogemeenschap in Japan, dan moest het met de vrouwenrechten in dat bedrijf wel op orde zijn. IBM in Amerika heeft onderzoek gedaan waar de beste innovaties en besluitvormingsprocessen plaats vonden. Wat bleek? Deze kwamen overeen met die plaatsen waar actieve en grote homogemeenschappen bestonden. Nu moeten we niet in de valkuil trappen dat homo’s en lesbo’s zo lekker creatief zijn en dat daardoor innovatie vorm krijgt. Eerder is het beeld op te roepen van omgevingen waar anders zijn geaccepteerd is, als een toegevoegde waarde wordt gezien, waardoor homo’s en lesbo’s zich er graag vestigen. En inderdaad, waar diversiteit alle ruimte krijgt, neemt innovatie en kwaliteit van besluitvorming daadwerkelijk toe. Dat is voor iedereen winst.

De uitdaging waar Amsterdam nu voor staat is het formuleren van samenhangend homobeleid waarin de antwoorden op de conclusies van het rapport ‘als ze maar van me afblijven’ worden geformuleerd. Dat is geen makkelijke opgave en vergt inspanning van de hele homobeweging om haar gedachten te formuleren. In dat proces is het zinvol verbanden te leggen met andere minderheidsgroepen. En dan gaat het niet alleen om allochtonen, maar ook om ouderen en gehandicapten. Dit vanuit het besef dat waar een homo de buurt wordt uitgetreiterd, op hetzelfde moment ook een Marokkaan bij de deur van de discotheek wordt geweigerd. Van het stadsbestuur en de politiek mag verwacht worden dat ze de signalen die hieruit voortkomen ruim baan zullen geven in het gemeentelijk beleid. Zodat we met elkaar op die wijze bouwen aan ons Amsterdam, waar de sfeer van weleer, toen diversiteit werd gezien als stuwende motor achter de economische, culturele en politieke ontwikkeling Amsterdam opnieuw een Gouden Eeuw bezorgt. Een stad waar diep gewortelde opvattingen en emoties over de eigen mannelijkheid en seksualiteit niet langer reden zijn tot antihomogeweld.